Slachtoffers van mishandeling en verwaarlozing blikken terug op hun hulpgeschiedenis.

“We weten allemaal wat er nodig is en toch helpen we niet op tijd, zijn we niet doortastend genoeg” zegt Marianne Poelman geraakt. De wethouder en ambassadeur van de vernieuwing in de GGZ in Friesland was vrijdag aanwezig bij een spiegelgesprek in Sneek, georganiseerd door KieN in samenwerking met het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid. Poelman luisterde samen met anderen de verhalen van zes jongeren en volwassenen die huiselijk geweld en verwaarlozing meemaken of hebben meegemaakt. De anderen: een jeugdarts, een huisarts, een kinder- en jeugdpsychiater, een klinisch psycholoog en een manager van Veilig Thuis.

Wie wisten ervan?

“Wie wisten ervan?” vroegen gespreksleiders Rolien Tolsma en Charlotte van der Wall bij de aftrap van het gesprek. De antwoorden waren schokkend. Vrijwel iedereen noemde de leraar, directe familieleden, buren, de voetbalclub, de huisarts. Al deze mensen wisten dat het niet goed ging, maar deden niets. “Wij woonden in een klein dorp, waar iedereen elkaar kende. Dan keek men toch liever weg, dan dat ze durfden in te grijpen”, zo vertelt Johan*).

Onder de indruk

Bij een spiegelgesprek zitten ervaringsdeskundigen in een binnenkring en gaan met elkaar in gesprek. In de kring eromheen luisteren professionals zonder te reageren. Het gesprek is bedoeld om professionals in de zorg een spiegel voor te houden. “Missie geslaagd, alle aanwezigen waren onder de indruk en hoorden zaken die ze anders niet horen”, vertellen Rolien en Charlotte, zelf ook onder de indruk.

Kinderen die ons het hardst nodig hebben, kunnen ons niet bereiken

Overal zeggen en schrijven mensen dat het anders moet in de jeugdzorg en jeugd-GGZ. Dat leidt onvoldoende tot verandering. Zo gebeurt het nog steeds dat verschillende organisaties betrokken zijn, met elkaar in gesprek gaan over regelzaken en dat hulp voor het kind en het gezin onvoldoende op gang komt. Het zorglandschap is onoverzichtelijk voor de mensen die het juist zo hard nodig hebben. Jeugdarts Jantsje Heeringa reageert aangeslagen: “Ik dacht dat we als jeugdartsen goed beschikbaar waren, terwijl ik hier hoor dat de kinderen die ons het hardst nodig hebben, vaak thuisblijven en ons niet bereiken. Daar schrik ik van.”

Ik was niet het probleem, het was een gezinsprobleem!

Ze delen allemaal het gevoel dat zij schuldig waren, ze werden aangewezen als oorzaak van de problemen thuis. Inmiddels weten ze beter: “Ik was niet het probleem, het was een gezinsprobleem! Alleen geloofde niemand mij, laat staan dat ze echt naar mij luisterden”. Het is een gedeelde ervaring dat niemand echt luisterde naar de jongeren zelf. De 19-jarige Eva*) probeert het te begrijpen: “misschien waren de hulpverleners bang voor het antwoord en durfden ze daarom niet door te vragen.”. “Ik ben diep onder de indruk”, zegt huisarts Jan Paul Verdenius met een brok in zijn keel. “We kunnen nog veel beter luisteren naar kinderen en hun stem serieus nemen”.

*) In verband met de privacy zijn de namen van de deelnemers gefingeerd.